Gedragsprobleem

Of het om probleemgedrag gaat, en in welke mate, is afhankelijk van de wijze waarop het gedrag van de hond door diens eigenaar wordt ondervonden. Wat voor de ene hondenbezitter geen probleem is, is voor de ander onacceptabel probleemgedrag.
Of iets als een probleem wordt ervaren is dus afhankelijk van de omstandigheden waarin het plaatsvindt en van de betekenis die er door de eigenaar aan wordt gegeven. De meeste probleemgedragingen kunnen worden verklaard als zijnde normaal honds gedrag dat door de eigenaar als een probleem wordt ervaren. Er is een hele reeks van oorzaken aanwijsbaar, die uiteindelijk kunnen leiden tot probleemgedrag.

Predispositie (genetische aanleg)

De genetische aanleg bepaalt in principe altijd mede het ontstaan van probleemgedrag. Het ontstaan van probleemgedrag is nooit alleen afhankelijk van de omstandigheden waarin de hond opgroeit, of de manier waarop de eigenaar met de hond omgaat (het milieu), maar ook afhankelijk van de genetische aanleg voor bepaalde gedragseigenschappen van de hond. De volgende regel gaat immers altijd op: het fenotype wordt bepaald door het genotype en de verschillende milieuomstandigeheden. Welk deel van het fenotype bepaald wordt door het genotype en welk deel door de milieuomstandigheden (bijvoorbeelde de opvoeding door de eigenaar) is niet zo interessant. Indien een bepaald (probleem)gedrag ontstaat, bestaat hier altijd een genetische aanleg voor, anders zou het milieu er niet voor kunnen zorgen dat dit gedrag optreedt. 
Een gedrag waarvoor geen genetische aanleg aanwezig is, kan door het milieu (opvoeding) nooit worden gestimuleerd. De enige juiste constatering is dus dat het gedrag dat tot uiting komt bij een bepaald individu een combinatie is van beide factoren.

Lichamelijke oorzaken

Hoewel fokdieren vanzelfsprekend vrij moeten zijn van (erfelijke) gezondheidsfouten, zijn de secundaire gevolgen, bijvoorbeeld agressief gedrag, een reden te meer om hier bij het fokken rekening mee te houden.
Niet alleen de erfelijke gezondheidsfouten leiden tot probleemgedrag; ook door andere omstandigheden ontstane gezondheidsprobelemen kunnen leiden tot afwijkend gedrag. Een lichamelijke verandering kan ook het gevolg zijn van hormonale activiteit. Schijndracht zorgt bij veel teven voor afwijkend gedrag.

Mismatching

De combinatie baas-hond kan verkeerd zijn omdat de karakters niet bij elkaar passen. Voorbeelden hiervan zijn een overactieve hond bij oudere mensen of een schrikachtig, nerveuze hond in een druk gezin met jonge kinderen. Vaak is het zo dat dit soort situaties de eigenaar op een verkeerde manier met de hond omgaat. Hierdoor kunnen onder andere conditioneringsfouten optreden. Het kan ook zijn dat de eigenaar het gedrag van de hond probeert te reguleren door, bijvoorbeeld in het geval van een nerveuze hond in een druk gezin, de hond op te sluiten. Hierdoor ontstaan weer andere problemen. De hond kan dan namelijk andere stressgedragingen gaan vertonen en zelfs bang worden voor de eigenaren en hun kinderen, of van de buurkinderen als hij alleen opgesloten wordt als zij op bezoek komen.
Daarnaast kan de combinatie mens-hond ook tot problemen aanleiding geven door verschillen in lichaamsgrootte en al dan niet als gevolg daarvan tot extreme krachtsverschillen. Niet alleen de combinatie van het kleine oude dametje met een grote hond, maar ook die van de grote bodybuilder met een kleine hond, kan zorgen voor gedragsproblemen. 
In beide gevallen kan dit leiden tot een rangordeprobleem of een instabiele rangorde - het is voor de hond niet duidelijk wie nu eigenlijk de roedelleider is.

Socialisatiefouten

Een hond die in zijn eerste levensmaanden slecht is gesocialiseerd, draagt daar zijn hele leven de gevolgen van mee. Dit leidt vaak tot angstproblemen die meestal niet, of slechts gedeeltelijk en met heel veel geduld en moeite, zijn op te lossen.

Conditioneringsfouten

Fouten bij het conditioneren (het aan- en afleren) kunnen eveneens leiden tot gedragsproblemen. Bijvoorbeeld het troosten van de hond na een schrikreactie, waarmee het angstgedrag wrodt beloond en dus versterkt. Een ander voorbeel dis het veel voorkomende verkeerde moment van timing voor het straffen en belonen van het gedrag. Inconsequentie (eerst belonen, dan straffen) leidt eveneens tot problemen.

Traumatische ervaringen

Vooral in de angstfase zijn honden gevoelig voor het opdoen van een traumatische ervaring, maar ook op volwassen leeftijd is deze gevoelgheid nog niet geheel verdwenen. Een traumatische ervaring kan weer leiden tot een fobie, waardoor de hond niet of nauwelijks meer te trainen is onder de omstandigheden waaronder zich het trauma heeft voorgedaan. De hond generaliseert en zal in een min of meer overeenkomstige situatie van de traumatische ervaring het ongewenste gedrag vertonen, waardoor het probleem zich uitbreidt. 
Een voorbeeld hiervan is een hond die aangevallen is door een zwarte hond. Bij generalisatie zal de hond angst- en/of agressief gedrag vertonen naar alle honden. De hond kan ook gaan discrimineren en na een aanval van een zwarte hond alleen naar zwarte honden angst- en/of agressief gedrag vertonen. Andere voorbeelden van een traumatische ervaring kunnen zijn: te harde straf (extreme correctie zoals in de nek pakken en schudden), mishandeling door een bepaald persoon of een hevige schrik als gevolg van bijvoorbeeld een kapotte uitlaat van een vrachtwagen. In het algemeen gaat het bij een traumatische ervaring dus om een confrontatie met een prikkel die ernstige schrik en/of pijn heeft veroorzaakt.

Overnemen van gedrag of stemming van de baas

Het overnemen van gedrag en gemoedstoestanden van anderen komt ook bij de hond voor. De hond kan bijvoorbeeld angstgedrag of agressief gedrag van de eigenaar overnemen. De hond kan bijvoorbeeld in het donker angstgedrag gaan vertonen of voordeurbelcomplex ontwikkelen.
Opwinding in het gezin kan er de oorzaak van zijn dat de hond zich nerveus gaat gedragen.
Het overnemen van gedrag of stemming zal niet voorkomen indien de hond dominant is over de eigenaar.

Voeding

Het idee dat voeding het gedrag van het individu kan beïnvloeden bestaat al jaren. Men weet alleen nog steeds niet goed hoe die beïnvloeding in zijn werk gaat. Recent onderzoek legt verband met agressief gedrag van de hond, maar als oorzaak wordt zowel een hoog als een laag eiwitgehalte, en zowel rundereiwit als lamseiwit genoemd. Frank Ruedisueli en Ian Robinson meldden dat het eiwitgehalte invloed heeft op het territoriale angst-agressieve gedrag van de hond. Honden waarvan het territoriale gedrag was gebaseerd op dominantie vertoonden geen wijzigingen in hun gedrag. Wat de voeding betreft zal er dus nog veel onderzoek moeten worden verricht voordat men tot serieuze uitspraken hierover kan komen. De wijze van voeren kan bij jonge pups wel leiden tot probleemgedrag bij de voerbak. Als pups gezamenlijk uit een grote bak moeten eten, is de kans groter dat ze bij de voerbak competitiegedrag ontwikkelen, met alle gevolgen van dien, dan wanneer ze elk een eigen bak krijgen.

Bron: toepoels hondenencyclopedie

Ervaart u probleemgedrag bij uw hond dat u graag zou willen oplossen, overleg dit dan met uw instructeur; dan kunt u samen met hem/haar naar een oplossing zoeken.